World Rare Disease Day met prof. Hilde Van Esch

Naar aanleiding van “Rare Disease Day” op 28 februari, spraken wij met professor Hilde Van Esch, geneticus aan UZ Leuven en hoogleraar aan de faculteit geneeskunde van KU Leuven. Prof. Van Esch is eveneens voorzitster van het Exceptional Kids Fonds, dat enerzijds inzet op het begeleiden van ouders en kinderen met een zeldzame genetische aandoening, en anderzijds wil bijdragen aan het uitklaren van oorzaken en symptomen en mogelijke behandelingen voor zeldzame aandoeningen.

Op 28 februari is het “Rare Disease Day”, maar wat verstaan we onder een zeldzame ziekte?

Een zeldzame ziekte is een ziekte die voorkomt bij minder dan 1 op 2,000 mensen. Dit klinkt weinig, maar wanneer we alle mensen in België met een zeldzame ziekte optellen, dan komen we aan 6% van de bevolking. Dit is natuurlijk al een pak meer. Het feit dat elke individuele zeldzame ziekte zo weinig voorkomt, maakt het echter moeilijk om deze groep patiënten te verenigen. Er zijn bijvoorbeeld ziekten die wij “ultra rare” noemen en waarvan maar 1 of 2 gevallen gekend zijn in België. Andere zeldzame ziekten komen wat meer voor, maar blijven zeldzaam en vaak onbekend. Ongeveer 75% van de zeldzame aandoeningen heeft een genetische oorzaak. Dit soort aandoeningen is vaak al aanwezig bij de geboorte of wordt reeds op kinderleeftijd zichtbaar. Patiënten met zeldzame aandoeningen komen echter niet uitsluitend op de dienst genetica terecht. Een patiënt met een zeldzame hartaandoening kan bijvoorbeeld eerder bij een cardioloog terecht komen. Zeldzame ziekten komen dus voor in alle takken van de geneeskunde. Om die reden hebben we in UZ Leuven een “bureau zeldzame ziekten”, een taskforce waar verschillende artsen van verschillende diensten in zitten die allemaal samenwerken om de patiënt met de zeldzame ziekte een zo goed mogelijke zorg aan te bieden.

Wat is de impact van zo een zeldzame ziekte op de patiënt en de familie van de patiënt?

Dit is zeer variabel, mede afhankelijk van de ernst van de aandoening. Een aandoening kan reeds aanwezig zijn bij de geboorte, andere aandoeningen ontwikkelen zich pas tijdens het eerste levensjaar, maar er zijn ook aandoeningen die nog later tot uiting komen. Een gemeenschappelijk iets is vaak de moeizame weg naar diagnose. Vaak geldt: hoe zeldzamer, hoe onbekender, en hoe langer het duurt voor er een diagnose gesteld kan worden. Ouders moeten vaak een echte “Odyssee” doorlopen voor ze duidelijkheid krijgen: ze worden van de ene naar de andere arts doorgestuurd, van het kastje naar de muur. Dit is vaak een heel moeilijk proces. De laatste jaren is er wel heel wat vooruitgang gemaakt binnen de genetica. We kunnen nu gebruik maken van genoom sequencing waarbij we het hele genoom kunnen aflezen, al blijft dit voor een deel van de patiënten onvoldoende. Hoewel we het hele genoom nu kunnen lezen, weten we eigenlijk nog heel weinig van wat dit dan juist betekent. Een verklaring kan dus niet altijd gevonden worden, en het blijft een onopgelost vraagstuk. Een extra moeilijkheid is de enorme diversiteit in zeldzame ziekten en ook in presentatie van een bepaalde ziekte, waardoor je soms niet meteen aan en bepaalde ziekte denkt. Het is wel zo dat bij een diagnose vaak alle puzzelstukjes in elkaar vallen. Eindelijk snappen ouders waarom ze bepaalde dingen observeren bij hun kinderen.

Hoe is de zorg voor mensen met een zeldzame aandoening internationaal en nationaal georganiseerd?

Vijf jaar geleden richtte men in Europa de “European Reference Networks” (ERN) op voor verschillende zeldzame aandoening: oogaandoeningen, huidafwijkingen, ontwikkelingsachterstand, syndromen, … (red: prof. Van Esch maakt deel uit van de ERN voor aangeboren afwijkingen en ontwikkelingsachterstand). Deze netwerken verenigen experten van zeldzame ziekten, waardoor uitwisseling van informatie mogelijk is en zo ingewikkelde casussen internationaal besproken (en opgelost) kunnen worden. In België is het zo dat elk centrum zich op dit moment met alle aandoeningen mag bezighouden, want referentiecentra (die zich focussen op bepaalde aandoeningen) bestaan momenteel niet. Het aantal genetici in België is wel redelijk klein waardoor iedereen elkaar kent en men van elkaar – over centra heen – wel goed weet welke arts best geplaatst is om naar door te verwijzen wanneer je zelf te weinig expertise hebt in een bepaald domein.

“We zijn eigenlijk met velen, maar allemaal op zich heel alleen.”

Sinds 2017 is klinische genetica een erkende specialisatie in België. Welke impact heeft dit en zal dit hebben voor patiënten met zeldzame ziekten?

Op dit moment zijn er nog geen afgestudeerde klinische genetici (red.: de opleiding duurt 6 jaar), de impact is momenteel dus nog niet heel groot. Het feit dat er nu een aparte opleiding bestaat tot geneticus, zal er natuurlijk voor zorgen dat het aantal genetici zal toenemen de komende jaren, en dat is een goede zaak. We merken nu al dat door de hulp van de genetici in opleiding, de wachtlijsten sterk afnemen en dat patiënten dus redelijk snel gezien kunnen worden door een specialist. Dit kan helpen om de lange lijdensweg tot diagnose van patiënten en hun ouders in te korten. Daarnaast zal genetica ook een grotere rol beginnen spelen binnen de geneeskunde. Vele mensen denken dat een geneticus zich enkel bezighoudt met zeldzame ziekten, maar niets is minder waar. Een geneticus is ook een belangrijke schakel binnen de kankergenetica, hulp voor patiënten met vruchtbaarheidsproblemen, intakegesprekken voor patiënten die graag embryo selectie doen voor ernstige aandoeningen, counseling en predictieve testing voor aandoeningen die pas op late leeftijd ontwikkelen zoals ALS en Parkinson, … Daarnaast zie ik ook een rol voor genetici in perifere ziekenhuizen. Momenteel gaan de genetici van UZ Leuven al naar 12 niet-universitaire ziekenhuizen of centra voor mensen met een beperking om daar genetica raadplegingen te houden. Dat is heel handig zowel voor de patiënten die zich niet moeten verplaatsen naar Leuven, maar ook voor de arts die een patiënt in zijn natuurlijke omgeving kan ontmoeten. Ik zie dit evolueren naar een vaste geneticus die in een perifeer ziekenhuis werkt zodat de afstand met de patiënt nog kleiner kan worden. Daarnaast zal deze geneticus wel altijd kunnen terugvallen op zijn opleidingsplaats voor complexe casussen en extra opleiding.

Onderzoek speelt en grote rol binnen de genetica en ook zeker voor de zeldzame aandoeningen. Waar ligt de focus in Leuven?

In het departement menselijke erfelijkheid bestaat er reeds lang een focus op aangeboren ontwikkelingsstoornissen, zoals aangeboren verstandelijke beperkingen, neurologische aandoeningen en syndromen. Hier gaan we nog steeds op zoek naar de oorzaken en genetische basis van deze aandoeningen, met de bedoeling om daarna ook te kunnen inzetten op therapie. Het is namelijk belangrijk om te begrijpen wat er precies fout loopt: hoe leidt het defect in een eiwit tot het verkeerd lopen van allerhande processen? Eens je dit weet kan je beginnen nadenken over manieren om hierop in te grijpen. Daarnaast houden we ons in het departement ook bezig met de genetische oorzaken van kanker, reproductie, alsook genetische epidemiologie en afkomst, epigenetica en genomica. We hebben dus een heel verscheiden aanbod aan onderzoeksprojecten, waar studenten altijd hun steentje aan kunnen bijdragen.

Wat is volgens u het belang van een dag als “Rare Disease Day”?

Ik denk dat het hier vooral gaat over “awareness”. Aangezien het over zo’n diverse groep van aandoeningen gaat, die elk op zich niet vaak voorkomen, worden deze ziekten vaak vergeten. Daarnaast is het ook moeilijk om aan fondsenwerving te doen voor een zeldzame ziekte. Voor mensen die niemand kennen met een zeldzame ziekte, is het vaak iets heel onbekend, iets waarmee ze niet in aanraking komen. Ook patiënten verenigen zich minder gemakkelijk omwille van de grote diversiteit aan aandoeningen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld kanker waar mensen gemakkelijker met elkaar in verbinding staan. Daarom probeert het “Exceptional Kids Fonds” (red.: prof. Van Esch is hier voorzitster van) patiënten en hun familie te verenigen en te informeren en doet het aan fondsenwerving om onderzoek te financieren en bekendheid te creëren. Hoewel de verschillende zeldzame ziekten andere onderliggende oorzaken hebben, is het niet zo dat er geen gelijkenissen zijn tussen al de verschillende ziekten. Integendeel, naast de lange weg tot diagnose, zijn er vaak ook specifieke vragen en problemen die bij heel wat patiënten (en ouders) dezelfde zijn. Eigenlijk zou ik heel graag eens een grote BBQ willen organiseren waarop ik alle kinderen en families met zeldzame aandoeningen uitnodig, zodat ze elkaar kunnen leren kennen en die overeenkomsten kunnen ontdekken en bespreken met elkaar. Er bestaan nu al heel wat projecten die families ondersteunen. Een voorbeeld is een recent project waar werd ingezet op de gezonde broers en zussen van een kind met een zeldzame ziekte, want vaak gaat er heel wat zorg naar het zieke kind, wat een grote impact kan hebben op hun broers en zussen. Maar we willen meer doen. Graag zetten we nog meer in op fondsenwerving zodat er nog meer projecten kunnen opgezet worden en we ook een PhD student kunnen aannemen. Ook de bekendheid van zeldzame ziekten in de kijker zetten is voor ons belangrijk. Wij zijn trouwens altijd op zoek naar vrijwilligers die willen helpen bij evenementen of zelf initiatieven willen opzetten voor deze patiëntengroep.

Ik hoop dat deze dag en dit interview kan bijdragen aan het in de kijker zetten van de zeldzame ziekten want we zijn eigenlijk met velen, maar allemaal op zich heel alleen.

Via deze link kan je meer informatie verkrijgen over het exceptional kids fond: www.exceptionalkids.be. Studenten die graag meehelpen bij organisatie van evenementen mogen steeds contact opnemen met prof. Van Esch (hilde.vanesch@kuleuven.be). Giften zijn ook altijd welkom op rekeningnummer BE45 7340 1941 7789 met gestructureerde mededeling 400/0012/93169.

World Cancer Day

Naar aanleiding van de World Cancer Day die plaatsvindt op 4 februari, hebben wij Nienke Meeuws geïnterviewd. Na het behalen van een master in de Geneesmiddelenontwikkeling in juni 2021, heeft Nienke een doctoraat aangevat in het laboratorium voor Experimentele Hematologie (KU Leuven). Daarvoor kwam Nienke reeds in contact met onderzoek in de oncologie in het kader van student-onderzoek en haar masterproef.

Op 4 februari is het World Cancer Day, wat betekent deze dag voor jou?

Het is goed dat deze dag bestaat omdat we die dag nog eens geconfronteerd worden met de mate waarin de ziekte vandaag de dag aanwezig is in onze samenleving. Heel vaak worden er die dag een grote hoeveelheid cijfers op ons afgevuurd, en het zijn die cijfers die ons het belang van kankeronderzoek doen inzien. Enerzijds zijn dat positieve cijfers, aangezien het onderzoek in de laatste decennia ervoor gezorgd heeft dat veel verschillende soorten kankers vandaag de dag goed behandelbaar zijn en sommige kankers zelfs geneesbaar zijn. Anderzijds zijn er ook steeds negatieve cijfers, of minder leuke cijfers. Heel veel kankers zijn helaas nog niet goed behandelbaar en nog steeds overlijden er heel mensen door kanker, of hervallen ze. En net daarom is er nog steeds heel veel kankeronderzoek nodig.

Worden er binnen de KU Leuven activiteiten georganiseerd rond deze dag?

Hier ben ik niet goed van op de hoogte aangezien dit het eerste jaar is dat ik doctoreer binnen het departement oncologie en de wereld kankerdag ga meemaken. Af en toe worden de gele lintjes van Kom op tegen Kanker uitgedeeld op campus Gasthuisberg, maar ik weet niet of dit steeds specifiek op wereld kankerdag is.

Zou je kort kunnen vertellen waarover je onderzoek gaat?

Voor mijn doctoraat doe ik onderzoek naar doelgerichte behandelingen voor T-cel lymfomen. Het gaat dus over T-cel lymfomen of meer toegankelijk verwoord over lymfeklierkanker van de T-cellen. Ons labo heeft in de voorbije jaren het DNA van heel wat patiënten met een bepaald subtype van T-cel lymfomen gesequenced. Ze hebben nadien onderzocht op welke manier het DNA van kankerpatiënten verschilt van dat van gezonde patiënten en ze hebben daarbij gevonden dat ongeveer de helft van de patiënten met dat type T-cel lymfoom een mutatie heeft in één of meerdere genen van de T-cel receptor signaaltransductie. In mijn onderzoek probeer ik nu te achterhalen op welke manier dat die mutaties de T-cel receptor signaaltransductie hijacken. Makkelijker gezegd bekijk ik op welke manier ze van de T-cel signaaltransductie kunnen profiteren om kwaadaardig te worden. Als we beter begrijpen hoe die mutaties tot overactivatie van de T-cel receptor signaaltransductie leiden, krijgen we aanwijzingen welke eiwitten we moeten blokkeren om de groei van die lymfomen tegen te gaan. Op die manier hopen we om tot een doelgerichte behandeling te komen waarbij alle patiënten met de betreffende mutaties baat hebben bij de behandeling die wij proberen te ontwikkelen. Belangrijk om te vermelden is nog dat er voor het subtype T-cel lymfoom dat ik bestudeer momenteel geen gerichte behandelingen bestaan. De enige optie voor deze patiënten is chemotherapie krijgen, met uiteraard heel veel nevenwerkingen. Bovendien is die chemotherapie slechts effectief in 30% van de patiënten. De andere 70% van de patiënten overlijdt binnen de vijf jaar na diagnose, wat aantoont dat een doelgerichte behandeling zeker nodig is voor deze patiënten.

Hoe ziet jullie onderzoeksgroep eruit? Jij hebt farmacie gestudeerd, wat is de achtergrond van je collega’s?

Onze onderzoeksgroep is heel divers. Ik ben de enige binnen de onderzoeksgroep die farmacie heeft gestudeerd. Er zijn veel mensen in het labo aanwezig die bio-ingenieurswetenschappen of biomedische wetenschappen hebben gestudeerd. Enkelen hebben geneeskunde gestudeerd en combineren hun specialisatie in het ziekenhuis met een doctoraat. Daarnaast zijn er enkele laboraten aanwezig binnen het team. Ik vind het positief dat er mensen met verschillende achtergronden in het team aanwezig zijn. Zo heeft iedereen een beetje zijn eigen specialisatie, en kun je met verschillende vragen bij verschillende personen terecht. In mijn onderzoeksproject ben ik op zoek naar nieuwe behandelingen, en daarbij komt natuurlijk mijn farmacieachtergrond goed van pas.

Vanaf wanneer merkte je dat je graag verder wou gaan in de onderzoekswereld? Heeft student-onderzoek hier een rol in gespeeld?

Voor mij werd dit duidelijk gedurende de tweede en derde bachelor. In de tweede bachelor hadden we een stage in de apotheek en dit bleek niets voor mij te zijn. In de derde bachelor hadden we een stage in de farmaceutische industrie en wat ik daar te weten kwam, vond ik erg interessant. Echter, tijdens het volgen van de verschillende opleidingsonderdelen merkte ik dat ik het meeste geïnteresseerd was in het ontrafelen van de verschillende ziekte mechanismen en ik had de indruk dat dit minder frequent gebeurt in de farmaceutische industrie in vergelijking met de universitaire labo’s. Omdat ik hier nieuwsgierig naar was, ben ik student-onderzoek gaan doen, om te kunnen proeven van wat voor onderzoek er gebeurt in de universitaire labo’s en hier een beter beeld van de krijgen. Ik heb student-onderzoek gedaan in het labo van professor Zeger Debyser en mijn onderzoek ging over leukemie. Ik heb hier superveel geleerd en een heel goed zicht gekregen op wat onderzoek aan de KU Leuven inhoudt, dus dit heeft zeker meegespeeld in waar ik nu terecht ben gekomen.

Zijn er bepaalde ontwikkelingen binnen de oncologie die er voor jou bovenuit springen?

Dit vind ik een moeilijke vraag aangezien er heel veel gaande is binnen de oncologie en ik ook zeker niet van alles wat er gaande is op de hoogte ben. Als ik dan toch één aspect moet kiezen, dan ga ik voor CAR-T cel therapie. Dit vind ik een heel fascinerende behandeling. CAR-T cel therapie is ondertussen  geen “nieuwe” ontwikkeling meer, aangezien in 2002 reeds de eerste ontwikkelingen plaatsvonden. Hoewel, de goedkeuring van de FDA vond wel pas in 2017 plaats. Ik herinner me nog goed dat we tijdens het vak biotechnologie van de opleiding farmacie een paper moesten presenteren, en bij mij ging die over CAR-T cel therapie. Ik vond dat toen super interessant en dacht toen ‘wow, ik wil ook meewerken aan zo’n soort onderzoek.’

Wereld-Diabetes-Dag met prof. dr. Pieter Gillard

Interview met Prof. Dr. Pieter Gillard, endocrinoloog & onderzoeker in het UZ Leuven
ter gelegenheid van de Wereld-Diabetes-Dag op 14 november 2021.

Zowat elke 17 minuten krijgt iemand in Vlaanderen de diagnose van diabetes en het aantal diagnoses neemt alleen maar toe. Ook de diabeteszorg staat niet stil. Naar aanleiding van Wereld-Diabetes-Dag waren we op de afspraak bij Prof. Dr. Pieter Gillard, betrokken in de frontlinie van diabeteszorg en dus een uitgelezen partner voor een aangenaam en leerrijk gesprek.

Is volgens u een ‘Wereld-Diabetes-Dag’ nog steeds nodig om mensen correct te informeren en te sensibiliseren over het voorkomen van diabetes?


Volmondig ja! Om verschillende redenen. Diabetes is een aandoening die enerzijds wereldwijd toeneemt: zowel type 1 diabetes als type 2 diabetes. En dan komen er elk jaar nog nieuwe vormen van diabetes bij, onder andere door de behandelingen die we toepassen, zoals immunotherapie enzovoort. Dus, een ziekte die dermate prevalent is, kan je niet genoeg onder de aandacht brengen. Anderzijds is het ook een ziekte die vaak onopgemerkt verloopt gedurende verschillende jaren. Dan heb ik het voornamelijk over type 2 diabetes, wat gelinkt is aan levensstijl en waarbij preventie heel veel problemen kan voorkomen.


Dus als je mensen kan wijzen op een ziekte die misschien nog niet aanwezig is, maar mogelijks eraan komt – indien hun levensstijl niet verandert –, is dat positief, echter het blijft uiteraard een continue strijd. Bovendien vinden mensen die met diabetes leven zo’n dag ook belangrijk, want het is een dag waarop er positieve aandacht is voor hun chronische aandoening. Dat is een derde reden voor mij om er aandacht voor te blijven hebben.


Hoe kan men de symptomen van diabetes type 1 of type 2 herkennen?


Daar is het belangrijk om het verschil te maken tussen een acute presentatie van diabetes en een meer sluimerende presentatie, namelijk door de complicaties van de ziekte. De meest acute presentatie en tevens de meest typische symptomen zijn doorgaans zeer uitgesproken bij diabetes type 1. Dat is wanneer mensen op een korte tijd veel vermageren zonder dat ze hier een goede reden voor hebben of zonder dat ze op dieet staan; wanneer veel dorst ontstaat en er veel gedronken wordt; ook veel plassen is een aanwijzing. Bij jonge kinderen is het bijvoorbeeld typisch dat kinderen, die al lang niet meer bedplassen, plotseling wel ’s nachts opstaan ofwel opnieuw bedplassen. Dat zijn de meest typische symptomen. Natuurlijk, in een wat extremer geval, is er ook echt een heel acuut ziek zijn met braken en overgeven, maar dan is er vaak al een verzuring of “keto-acidose” aanwezig.


Ouders, die weten wat type 1 diabetes inhoudt, gaan alert reageren wanneer hun kinderen veel dorst hebben, veel drinken en veel plassen. Een preventieve vingerprik, die door een toestelletje uitgelezen wordt, kan het vermoeden bevestigen of de vastgestelde symptomen op dat moment veroorzaakt worden door een verhoogde bloedsuikerspiegel. Want dat is eigenlijk de trigger van de symptomen: een heel hoge suikerspiegel, die dus calorieën doet verliezen via de urine; een insulineresistentie of verminderde insulineproductie die ervoor zorgt dat uw lichaam continu energie afbreekt in plaats van op te bouwen. Dat zijn de meest uitgesproken symptomen die je merkt.

Maar wat we eigenlijk bij type 2 diabetes vaak zien, is dat die symptomen zich minder presenteren of minder uitgesproken zijn. De diagnose is bijgevolg vaak een toevalsbevinding: mensen krijgen een bloedafname om een andere reden – omdat ze zich algemeen niet echt “top” voelen of wanneer reeds een complicatie is opgetreden, zoals een hart- of herseninfarct. Dat is redelijk typisch voor type 2 diabetes, omdat de oorzaak van die bloedvatproblemen niet alleen de suiker is, maar ook een te hoge cholesterol, overgewicht, hoge bloeddruk… Dus bijna de helft van de mensen met type 2 diabetes wordt gediagnosticeerd op basis van andere klachten dan die van een te hoge bloedsuikerspiegel, eerder dus door de veroorzaakte complicaties, door een suikerziekte die al wat langer sluimerend aanwezig is.


En wat zijn de belangrijkste verschillen tussen T1D en T2D?


Als je de twee écht tegenover elkaar wilt zetten en u afvraagt: “Waar verschillen die het meest in?”, dan is type 1 diabetes nog altijd een ziekte van jonge mensen. We zien nog altijd dat de leeftijd, waarop type 1 diabetes voorkomt, wat aan het zakken is. Het komt klassiek voor in een eerste golf op jonge leeftijd: 9-11 jaar. Dan is er een tweede golf in de latere tienerjaren of begin  twintigerjaren bij jongvolwassenen. Maar eigenlijk kan type 1 diabetes voorkomen op eender welk moment in het leven.

Mijn persoonlijk “record” is toch een diagnose van type 1 diabetes bij een patiënte van 91 jaar! Dus het is iets wat je het ganse leven door kan krijgen, maar zeer kenmerkend is het “een donderslag bij heldere hemel”; bij een persoon die kerngezond was tot enkele weken terug en dus vrij snel de symptomen van type 1 diabetes ontwikkelt, die ik daarjuist beschreef.


Type 2 diabetes komt klassiek meer voor op oudere leeftijd (> 40 jaar) en houdt naast erfelijkheid en leeftijd verband met verschillende risicofactoren, zoals een ongezonde leefstijl en zwaarlijvigheid. Het is daarenboven gelinkt aan het “metabool syndroom”, gekenmerkt door een combinatie van volgende symptomen: een hoge bloeddruk, overgewicht, leververvetting, abdominale vetstapeling…

Ondertussen merken we wel dat type 2 diabetes bij ons op jonge leeftijden begint voor te komen en dat heeft te maken met de toename van obesitas bij jonge kinderen. We hebben nog niet de “epidemie” die we bijvoorbeeld in de Verenigde Staten zien, waar kinderobesitas nog veel prevalenter is, maar wij houden natuurlijk ons hart vast, omdat Europa vaak achterloopt wat betreft levensstijl en evoluties in de populatie tegenover Amerika. Een bijkomende reden waarom we in België type 2 diabetes niet zo vaak zien op kinderleeftijd in vergelijking met Amerika, is dat het Kaukasische gen beschermend is tegen type 2 diabetes, in tegenstelling met het Afro-Amerikaanse of het Aziatische gen, die meer voorkomen in de Verenigde Staten, het Verre Oosten of in het Midden-Oosten.

 
Omgekeerd kan type 1 diabetes ook voorkomen op oudere leeftijd en dan zien we natuurlijk ook dat mensen met type 1 diabetes overgewicht kunnen hebben. Soms vragen we ons bijgevolg af bij oudere mensen die gediagnosticeerd worden met diabetes: “Is dit nu type 1 of type 2?”, omdat die patiënt kenmerken heeft van beide types! Om dan een inschatting te maken, moeten we naar bepaalde biochemische parameters kijken: we meten bepaalde zaken in het bloed: antistoffen, de residuele insulineproductie… Ik moet eerlijk toegeven, soms komen we er niet uit. In dat geval delen we mee: “We laten het nog even in het midden en de toekomst zal het wel uitwijzen”, omdat we bij type 1 diabetes verwachten dat de b-celfunctie hoe dan ook in de jaren na diagnose vrij snel afneemt, wat bij type 2 diabetes minder het geval is.

Hoe en waar is uw fascinatie voor diabetes en het diabetesonderzoek ontstaan?


Als student geneeskunde was ik vrij snel overtuigd dat ik ‘Inwendige Ziekten’ wou doen. Dat was iets wat mij enorm boeide: de zoektocht naar etiologie, pathofysiologie… Maar binnen het domein van de interne geneeskunde had ik op het einde van mijn opleiding nog niet een voorkeur. Tot in mijn eerste jaar assistentschap één van mijn beste vrienden de diagnose van type 1 diabetes kreeg, dat was voor mij ineens de confrontatie met die aandoening. Ook op school had ik het al wel gezien, maar zo dicht als bij een heel goede vriend had ik het eigenlijk nog niet zien aankomen. Het is diezelfde vriend die mij in de wagen, richting een weekend dat we samen doorbrachten, aansprak over Prof. Dr. Chantal Mathieu (endocrinoloog en autoriteit op het vlak van onderzoek naar diabetes, UZ Leuven) en of ik geïnteresseerd was om onderzoek te doen naar type 1 diabetes. De hele rit richting de Ardennen – ik weet het nog alsof het gisteren was – heeft hij mij hiervoor warm gemaakt en werd ik meer en meer geboeid door het onderwerp. In de week nadien heb ik contact gezocht met Prof. Mathieu en me kandidaat gesteld voor een doctoraatsonderzoek rond “Eilandjes-Transplantatie bij type 1 diabetes” (de eilandjes van Langerhans). Zo ben ik door een persoonlijk verhaal van een vriend daar ingerold en het onderwerp boeit me dagelijks nog steeds evenveel, zelfs in stijgende mate!

Ik heb dan 4 jaar mijn onderzoek gedaan rond “Eilandjes-Transplantatie bij type 1 diabetes”, dat was een enorm boeiende periode, omdat er in die tijd een enorme sprong vooruit was in de resultaten van die transplantatie. Op dat moment waren we er écht van overtuigd dat het niet langer dan tien jaar zou duren vooraleer Eilandjes-Transplantatie voor dé genezing zou zorgen, omdat zowel nationaal als internationaal de resultaten enorm hoopvol waren. De realiteit is echter – zoals vaak – iets minder rooskleurig…


Voor de vraag kwam om in het diabetesonderzoek te gaan, had ik mijzelf reeds voorgenomen om nefrologie te studeren, wetende dat nefrologie en diabetes enorme raakvlakken hebben. Ik heb me dus eerst gespecialiseerd in de nefrologie en nadien heb ik opnieuw de lokroep van de endocrinologie beantwoord. En daar heb ik nog geen seconde spijt van gehad!

U vertelde zojuist over de Eilandjes-Transplantatie bij type 1 diabetes, kunt aanvullen met een schets van uw lopend onderzoek?


We zijn tijdens de eerste tien jaren van dit millennium er voor de eerste maal in geslaagd om eilandjes te laten overleven in de lever, weliswaar met gebruik van afweeronderdrukkende medicatie. Dat was in de jaren 90 van de vorige eeuw niet mogelijk, dus dit was een grote sprong voorwaarts. We hebben zelfs op een bepaald moment een poging gedaan om cellen te laten overleven zonder immunosuppressiva, maar dat is toen niet gelukt. Dan is er eigenlijk een periode geweest, waarbij er in het onderzoek niet meer zoveel vooruitgang was. We wisten dat we eilandjes verschillende jaren konden laten overleven via transplantatie, maar met dien verstande dat we wel degelijk nog altijd medicatie nodig hadden om het eigen immuunsysteem te onderdrukken. En dit gebruik van immunosuppressiva, daar betaal je een prijs voor! We kwamen in de situatie dat Eilandjes-Transplantatie wel mogelijk is, maar men moet zeer selectief zijn in de mensen die we hiervoor selecteren. Het wordt dus afwegen: leven met diabetes of – wanneer de ziekte een dermate impact heeft op het leven – leven met de complicaties door immunosuppressiva na een Eilandjes-Transplantatie. In feite komt het erop neer dat in mensen met ernstige hypoglycemies en frequente coma’s, de balans duidelijk in het voordeel van deze transplantatie ligt.


Dat was de situatie waarin we beland waren: aan mensen met veel ‘hypo’s’ geven we een Eilandjes-Transplantatie. En dan is er eigenlijk iets anders gebeurd in de diabeteswereld: er is een enorme vooruitgang gekomen in hoe we suiker (glycemie) meten aan de hand van glucose-sensoren. Die worden intussen gekoppeld met insulinepompen en zijn op die manier ook zeer efficiënt gebleken om hypo’s te voorkomen. En dus hebben we voor een groep patiënten, waarbij we vroeger een transplantatie als klinische ingreep voorstelden, eerst gekozen voor de technologie. Die technologie is ondertussen zodanig geëvolueerd, dat de indicatiestelling voor een Eilandjes-Transplantatie bij een patiënt, zonder een ander transplantorgaan, duidelijk afgenomen is. We gaan een transplantatie dus vooral toepassen bij mensen die reeds een ander transplantorgaan hadden, omdat die mensen sowieso immunosuppressiva krijgen. In dit geval denk ik dat b-celtransplantatie het nog altijd veel beter doet dan die opkomende technologie, met onder andere pompen en sensoren.


Dat is dus de kern van het huidige klinische transplantatieprogramma: we richten ons voornamelijk op patiënten die sowieso afweeronderdrukkende medicatie nodig hebben om een andere reden, bijvoorbeeld een nier die we dan combineren met een eilandjes- of  pancreastransplantatie. Al is het aantal type 1 diabetici die in nierfalen gaat heel sterk aan het afnemen (gelukkig!), net zoals diabetici met ernstige retinopathie. Dat is allemaal gunstig, maar zorgt er wel voor dat Eilandjes-Transplantatie, zolang we immunosuppressiva nodig hebben, een slinkende groep van potentiële receptoren heeft. Bijgevolg heeft het onderzoek daarin ook een verschuiving ondergaan, want indertijd transplanteerden we 15-20 mensen op jaarbasis. Als je nu gaat naar slechts 1-2 mensen per jaar in België, dan wordt het echte klinische onderzoek, wat toch vooral mijn interessegebied is, minder evident.


Er is ook een verschuiving gebeurd richting stamcelonderzoek, waarbij men erin geslaagd is om embryonale stamcellen in laboratoriumomstandigheden te laten differentiëren tot endocriene cellen met de eerste tekenen van een b-cel. Men heeft dit ook intussen vastgesteld in diermodellen en mensen. Op dit moment hebben we een reeks patiënten in een “fase 1-studie”, waarbij men deze embryonale stamcellen, opgeslagen in een “device”, onderhuids hebben getransplanteerd. Het is een “fase 1-studie”, dus geen studie die doeltreffendheid onderzoekt, maar veiligheid. Alsook trachten we te verstaan hoe(ver) die cellen differentiëren en hoelang dit blijft duren. Dit is een internationale studie die in Noord-Amerika en Europa gebeurt; de transplantaties zelf zijn enkel in het UZ Brussel gebeurd door een toegewijde chirurg en diabetes-team. Wij hopen dat een volgende stap naar een “fase 2” -en “fase 3”-studie kan gezet worden, waarbij grotere hoeveelheden cellen kunnen getransplanteerd worden die dan doordifferentiëren naar b-cellen. Het feit dat die cellen in een gesloten onderhuidse “device” zitten geeft ons ook hoop dat we in de toekomst minder afhankelijk zullen zijn van immunosuppressiva. Dat is onderzoek waar ik nog bij betrokken ben, maar wat traag gaat en toen kwam er uiteraard die opportuniteit, waar ik daarnet naar alludeerde: de snel evoluerende pomp -en sensortechnologie. Mijn onderzoek is dus – naast de Eilandjes-Transplantatie – toegespitst op de effecten van diabetestechnologie: sensoren, (slimme) pompen, artificiële pancreassen…

Samenvattend is mijn huidig onderzoek een deel stamceltransplantatie, een deel b-cel-transplantatie – dat is ‘mijn eerste liefde’ en ik blijf hopen dat we daar finaal dé genezing vinden – en intussen probeer ik mijn steen bij te dragen met onderzoek rond die snel evoluerende technologie.


Het mogelijk een student-onderzoek af te leggen binnen uw onderzoeksdomein?

Dat is zeker mogelijk! Mijn onderzoek is typisch het “klinische onderzoek”, dat was één van de dingen die mij onmiddellijk aansprak toen ze mij vroegen om in het onderzoek te gaan. Ik ben nooit echt gepassioneerd geweest door labo-onderzoek en ik wou altijd met een patiëntenpopulatie bezig zijn. Je hebt verschillende soorten klinisch onderzoek: observationeel onderzoek, RCT (“Randomised Controlled Trial”) en “Real World”-onderzoek.  Bij observationeel onderzoek verzamel je data gedurende een bepaalde periode, het liefst prospectief, soms retrospectief.


Ik ben echter zelf een grote voorstander van “Real World”-onderzoek als een soort validatie van RCT’s. RCT’s zijn namelijk zonder twijfel de sterkste studies wat betreft ontwerp en validiteit (van gegevens), maar ze hebben één groot nadeel: men doet het onderzoek altijd in een selectieve populatie. Ik ken weinig RCT’s waarbij er geen heel lange lijst van exclusiecriteria is, men doet dat om juist die validiteit te verhogen, om “bias” tegen te gaan. Je riskeert echter wel dat je steeds de vraag hebt: “Is het resultaat van die RCT toepasbaar in het echte leven als je het uitrolt in de patiëntenpopulatie?”. Deze stap is voor mij zeer belangrijk: hetgeen we in RCT’s  aantonen, daadwerkelijk onderzoeken in het échte leven. Dus zal een student-onderzoeker, die bij mij onderzoek doet, voornamelijk betrokken worden bij “Real World”-onderzoek, alsook bij enkele RCT’s die lopen. Dit komt neer op het verzamelen van gegevens en het structureren van een database. Ik hoop hen ook iets te tonen over hoe je dergelijke gegevens kan analyseren of hoe je de data in een manuscript kunt gieten. Dus bij deze zijn student-onderzoekers zeker welkom en elk jaar hebben we er een paar rondlopen op de afdeling!

Welke belangrijke ontwikkelingen houdt u voor mogelijk op korte en/of lange termijn binnen uw onderzoeksgebied, of binnen het diabetesonderzoek in het algemeen?


Ik denk, wanneer we het even tot mijn domein beperken, dat we binnen type 1 diabetes een verdere (r)evolutie in de technologie mogen verwachten. Ik voorspel dat binnen vijf jaar nog maar weinig mensen met type 1 diabetes niet gaan behandeld worden met artificiële systemen. Voor een groot deel komt dit neer op insulinepompen, die worden aangedreven door sensoren. Deze systemen dragen enorm bij tot een kwaliteitsvol leven voor diabetici. Wat mij hierin het meest overtuigd heeft, is dat patiënten mij voor het eerst zeiden: “Je hebt me nu een systeem gegeven dat ‘mijn rugzak’ lichter heeft gemaakt”. En dat komt doordat die systemen zelf nadenken en – op momenten dat je er zelf geen aandacht voor kunt (wanneer je slaapt) of wilt hebben (als je aan het sporten bent) – voor u uw suiker regelen, zoals een b-cel dat doet. Die boodschap, die verschillende mensen mij onafhankelijk van elkaar hebben gegeven, overtuigen mij om die technologie bereikbaar te maken voor zoveel mogelijk mensen, omdat je rugzakken die men gekregen heeft bij de diagnose van diabetes, terug lichter kan maken. Dat is mijn voorspelling op de korte termijn en dat is ook waar ik zelf onderzoek naar doe.

Op iets langere termijn hoop ik dat stamcelonderzoek en het ontwerpen van “devices”, die biocompatibel zijn, voor een doorbraak zullen zorgen. In dit domein ben ik zelf onvoldoende bij de basis betrokken om te kunnen inschatten dat dit er binnen vijf jaar is. Ik vrees namelijk dat het langer zal duren.

Verder geloof ik nog altijd in de noodzaak om te blijven zoeken naar een genezing voor de ziekte. Voor mensen die nú de aandoening hebben, denk ik dat dé genezing komt van Eilandjes-Transplantatie. Dus ik hoop dat binnen tien jaar die celtransplantatie ook een niveau heeft bereikt dat we dat aan veel meer mensen kunnen aanbieden. Ik geloof nog altijd dat deze transplantatie beter zal zijn dan eender welk extern systeem. Al is het maar omdat de insulinetoediening niet subcutaan is in geval van transplantatie, maar onmiddellijk op de plaats waar we het willen hebben, namelijk in het portale veld (vena portae). Dat is wat ik binnen mijn domein verwacht. Insulines zullen ook verder verbeteren, hier doe ik ook onderzoek naar. Er komen zeker nog evoluties op vlak van “slimme insulines”, waarbij ik de komende decade nog mooie dingen verwacht.

Als we dan kijken naar de grootste groep van diabetici, zijnde type 2 diabetes: hier zie ik vooral heil in de nieuwere therapieën (die ook niet meer zo nieuw zijn!): de incretine-gebaseerde therapieën (GLP1-analogen) en SGLT2-inhibitoren. Je moet maar de “New England Journal of Medicine” of de “Lancet” openslaan en daar staat een artikel over “SGLT2” of “GLP1” gepubliceerd! Die worden daar gepubliceerd omdat ze meer en meer aantonen dat men bij mensen met diabetes niet alleen de suiker verbetert, maar dat men ook hun leven verlengt, de mortaliteit doet dalen, wat toch het hardste eindpunt is dat we hebben. We zien ook enorme effecten op hartfalen en nierprotectie. Ik denk dus dat daar nog ongelooflijk veel op ons zal afkomen en dat de behandeling van type 2 diabetes met insuline sterk zal afnemen. We zullen daar veel sneller naar GLP1 en SGLT2-inhibitoren gaan, waarbij er toch het potentieel is dat men daarmee insulinenood voor langere tijd uitstelt of zelfs helemaal vermijdt.

Dus “the best is yet to come”?


“The best is yet to come”, zowel in het onderzoek als in de zorg voor diabetes! Ik heb dan nog niet gesproken over artificiële intelligentie, die ook “ready for prime time” aan het worden is! Dus absoluut, het beste moet nog komen vooral voor onze mensen met diabetes, waarbij we hopen dat deze aandoening, die nog altijd het imago heeft van een ziekte met heel veel complicaties, minder negatieve impact heeft op levenskwaliteit en -duur. Ik zie eigenlijk dat jonge mensen met type 1 diabetes nu reeds een zeer vergelijkbare levensverwachting hebben. Er zijn natuurlijk de mensen die het al heel lang hebben en een lange periode hebben moeten varen met riemen die veel minder efficiënt waren, die nu de gevolgen ondervinden. Type 2 diabetes is natuurlijk een andere probleem, omdat het een welvaartsaandoening is, gelinkt aan obesitas. Maar ik ben van mening dat GLP1 specifiek op dat overgewicht, dat metabool probleem, mogelijks in een vroegtijdig stadium positieve effecten kan hebben, waardoor we ook vat zouden kunnen krijgen op die “Type 2 diabetes-epidemie”.

Daarnaast heb ik het voornamelijk gehad over wat we doen met mensen die diabetes hebben. Maar de ultieme verdedigingslinie tegen de ziekte, is preventie. Ik denk dat er veel staat te gebeuren in de volgende vijf tot tien jaar, mede onder invloed van het Europese programma “INNODIA en INNODIA-HARVEST”. Dat is een groot consortium van vele knappe koppen die bezig zijn met het diabetesonderzoek – gaande van fundamenteel tot klinisch onderzoek – in nauwe samenwerking met de farmaceutische industrie én gesponsord door Europa. Daar zijn we zo ver dat we ondertussen interventiestudies doen bij “recent-onset diabetes”. De kennis die we daar opdoen over dosissen, tolerantie en veiligheid gaan we vrij snel kunnen gebruiken om hoogrisico-patiënten (mensen die nog geen type 1 diabetes hebben, maar wel een hoog risisco hebben om het te ontwikkelen) te vinden door het meten van antistoffen of biomerkers, het doen van bepaalde stimulatietesten … Ik denk dat de stap naar behandeling en preventie bij die mensen een stap is die we binnen nu en een paar jaar zullen nemen. Ik denk daarenboven dat we naar een nieuwe fase overgaan, waarbij we op het moment van diagnose immuuntherapie zullen voorstellen aan patiënten om de verdere evolutie van de ziekte af te remmen.


U bent zelf nauw betrokken bij de patiëntenorganisatie “diaT1op”. Waarvoor staat deze organisatie en welke soort activiteiten organiseert ze?


“DiaT1op” is inderdaad “mijn kindje” mag ik wel zeggen, wat begonnen is als een educatief programma. Ik moet zeggen dat ik als supervisor op de raadpleging vaak de opmerking hoorde van mensen met diabetes: “Ik wil sporten, maar het lukt mij niet” of “Ik heb heel veel moeite tijdens het sporten om mijn suiker stabiel te houden, wat moet ik hieraan doen?”. Ik wist wel wat er in de boeken stond, maar na wat introspectie besefte ik dat ik louter boekenkennis aan het meedelen was, waar ik vaak volgend antwoord op kreeg: “Dat heb ik al geprobeerd, maar dat werkt niet”. Bijgevolg merkte ik een leemte op in kennis rond hoe iemand met type 1 diabetes kan sporten zonder (is wel heel ambitieus) of met minder schommelingen in de glycemie?  Ik bedacht mezelf meer in te lezen en dan een manier te zoeken om die opgedane kennis zo breed mogelijk te verspreiden. Toen is diaT1op ontstaan met als doel: mensen met type 1 diabetes betrekken in dat educatief programma.

Het uitgangspunt was om sporters met diabetes die het uitstekend doen, te vragen of ze ons wilden leren hoe het moet. Ik heb enorm veel geleerd van type 1 diabeten dat eerste jaar, dingen die je niet in boeken kunt lezen, met als doel om dat ook in mijn team van collega-diabetologen en diabeteseducatoren over te brengen. En aangezien dat een dergelijk goed gevoel gaf bij ons, hebben we dat project jaar na jaar uitgebreid, betrokken we ook diabeten die wél problemen hadden, zijn we die gaan opleiden, zijn we gegroeid. We hebben bovendien het geluk gehad dat we door “Sport Vlaanderen” erkend zijn: zij hebben ons twee jaar gesubsidieerd en zo hebben we diaT1op kunnen uitrollen in meerdere centra in Vlaanderen. Moest COVID er niet geweest zijn, denk ik dat we ondertussen al aan 15-16 centra zaten. Het is namelijk een programma dat als basis heeft: “We leren van elkaar en samen met elkaar”, dus geven we opleidingen en sporten we samen. Ik heb bijvoorbeeld samen gefitnest, niet alleen om zaken aan te leren, maar ook om zelf bij te leren wat de effecten zijn van sport op diabetes. Dat is allemaal stilgevallen door COVID, maar we hopen in 2022 een herlancering te doen! Het bestaat dus nog altijd: we geven nog altijd educatie, facebook-lives en “real life” opleidingen.

Dus dat is diaT1op, zoals het ontstaan is, en zoals het nu nog steeds is: een educatief programma, waarbij we samen “met mensen en voor mensen” met diabetes sporten, daaruit leren en die kennis delen met zoveel mogelijk centra in Vlaanderen, zodat zoveel mogelijk diabeten van die kennis gebruik kunnen maken. Bovendien is op dit moment diaT1op een volwaardig onderdeel van het “Hippo & Friends”-diabetesfonds, dat zich richt op “de empowerment” van type 1 diabeten en het verbeteren van hun levenskwaliteit. En daar is sporten met diabetes – wat diaT1op dus doet – een excellent voorbeeld van! Daarnaast ondersteunt dit fonds ook het onderzoek en helpt het om kennis rond type 1 diabetes te verspreiden.

Prof. Gillard, alvast bedankt voor het interview! Er ligt een mooie toekomst in het verschiet, waarbij hopelijk ook veel student-onderzoekers van pas kunnen komen?


Absoluut, diabetes is een ongelofelijk boeiend onderzoeksdomein, al is het maar omdat het ongelofelijk in beweging is, zoals ik trachte te schetsten. Diezelfde enorme dynamiek die ik in diabetesonderzoek -en zorg merk, vind ik bijvoorbeeld ook terug in de medische oncologie: hier is ook al jarenlang een enorme evolutie gedreven door onderzoek, kennis en pathofysiologie. Dus voor student-onderzoekers is hier op de afdeling absoluut “the place to be”, om dan de smaak te pakken te krijgen en later deel te nemen aan het onderzoek als een “PhD” of “postdoc”.

Interview prof. Voigt – World Ultrasound Awareness Month

Naar aanleiding van de World Ultrasound Awareness Month in oktober hebben we professor Jens-Uwe Voigt geïnterviewd. Naast hoogleraar aan de Faculteit Geneeskunde is hij een cardioloog aan UZ Leuven. Hij is het hoofd van echocardiografie in de kliniek en dit is ook in zijn onderzoek zijn hoofdfocus.

Het gebruik van echografie in de verschillende disciplines van de geneeskunde begon tijdens de tweede wereldoorlog. Kunt u daar nog iets meer over vertellen?

               Inderdaad, de pioniers van de echocardiografie waren er een arts en een fysicus in Lund, Zweden. In de jaren ’50 experimenteerden zij met een echografisch toestel – dat voor materiaalproeven gemaakt was door Siemens – op het menselijk lichaam. Toevallig was de frequentie van de ultrasone trillingen 2 MHz, de frequentie die men vandaag de dag nog gebruikt. Zo heeft dit duo de eerste ‘M-modes’ (echocardiografische techniek waarbij je beeldinfo krijgt uit één richting of dimensie, red.) kunnen maken van de bewegende structuren binnenin de thorax. Dit waren echo’s uit slechts één richting, getoond over de tijd. Later konden echo’s uit verschillende richtingen worden samengesteld met speciale medische toestellen. Met deze twee-dimensionele bewegende beelden, die op een ongevaarlijke en pijnloze manier konden gegenereerd worden, begon eigenlijk de verdere ontwikkeling en het breed klinisch gebruik van de echocardiografie. Vandaag de dag is de kwaliteit van de beelden zo goed dat wij zelfs de kleinste details van het hart kunnen zien, we kunnen allerlei parameters kwalitatief én kwantitatief beoordelen, en we kunnen zelfs driedimensionale beelden bekomen.

Is de echografie onmisbaar in de hedendaagse geneeskunde, en waarom?

               Ja, echografie is een vaste waarde binnen enorm veel medische disciplines. In het bijzonder in de cardiologie is de echocardiografie iets onmisbaars, aangezien een moderne cardioloog niet meer zonder echocardiografische informatie kan werken. Echocardiografie is goedkoop, gevaarloos, doet geen pijn, en je kunt het herhalen. Het geeft een beeldindruk van het hart waarop je kwantitatief en kwalitatief kunt beoordelen, je kunt flow meten, drukken inschatten, noem maar op. Het geeft op een gemakkelijke manier enorm veel info over de structuur en functie van het hart. Op deze manier kan echocardiografie ook niet vervangen worden door CT- of MRI-beelden, hoewel deze misschien een hogere beeldkwaliteit hebben. Deze onderzoeken zijn duur, gebruiken straling en worden door dure, grote en vaststaande toestellen gemaakt. Het is eerder zo dat de echocardiografie de stethoscoop heeft vervangen en een onmisbaar deel van de klinische routine is geworden. Het is immers zo dat wanneer we iets opmerken door te luisteren, we eerder gaan vertrouwen op de echobeelden om in te schatten wat er gaande is bij de patiënt.

U bent een cardioloog en heeft zich gespecialiseerd in de echocardiografie. Wat is de rol van echografie binnen de cardiologie?

               Als een patiënt met klachten komt, en je hebt nog meer informatie nodig, dan ben je redelijk snel bij de echocardiografie. Je kunt heel veel over het hart te weten komen. Werkt de hartspier normaal? Is het hart vergroot? Zijn de wanden verdikt? Pompt het hart zoals het hoort? Werken de kleppen naar believen? Dit zijn allemaal vragen waarop echocardiografie je een antwoord kan geven. In principe vereisen bijna alle cardiologische ziekten echocardiografie voor de diagnose.

Wat zijn de belangrijkste vorderingen in de echografie die zich de afgelopen 10 jaar hebben afgespeeld?

               De beeldkwaliteit is enorm verbeterd tijdens de laatste jaren. Als je beelden van 20 tot 30 jaar geleden vergelijkt met beelden van nu, dan is het ongelofelijk welke details je vandaag de dag kunt zien. Daarnaast komt de tijdsresolutie tegenwoordig neer op ongeveer 50 beelden per seconde, wat maakt dat je enorm snelle bewegingen ook heel goed kunt zien. Daarnaast hebben we ook nieuwe methoden om de hartspierfunctie te analyseren, hetgeen één van de specialiteiten van onze onderzoeksgroep is. Wij zijn hier zeker bij de pioniers geweest in de ontwikkeling van de vervormingsimaging van het hart, ‘strain imaging’. Dit wordt ondertussen in de klinische routineonderzoeken regelmatig gebruikt, en is zelfs een van de aanbevolen standaardmetingen geworden om de globale functie van de hartkamers te beoordelen.

Zou u kort iets kunnen vertellen over de onderzoeksprojecten die in uw onderzoeksgroep momenteel in de stijgers staan?

               Onze projecten die focussen vooral op het meten van de hartspierfunctie. Onze onderzoeksgroep heeft in de laatste 20 jaren veel bijgedragen aan de ontwikkelingen op dit vlak. Daarom hebben we ook goede contacten met heel wat echofirma’s die toestellen of software maken en naar ons komen om die te laten testen. We hebben dan ook vergelijkingen tussen de verschillende producenten gedaan die toch heel wat variatie hebben aangetoond in de kwaliteit van de verschillende firma’s, hetgeen dan ook heeft bijgedragen tot verbetering in de producten van die firma’s.

               Momenteel leggen we een klemtoon op hartspierfunctiemetingen bij verschillende pathologieën, bijvoorbeeld bij hartgeleidingsstoornissen die bepaalde, typische contractiepatronen van het hart veroorzaken. Op lange termijn veroorzaakt dat een hermodellering van het hart die we ook kunnen meten en aantonen. Zo kunnen we op een betere manier patiënten selecteren voor  bepaalde therapieën, zoals cardiac resynchronization therapy (CRT).

               Tenslotte hebben we een nieuwe focus die zich toespitst op de high-frame-rate echocardiografie, in samenwerking met ingenieurs onder leiding van professor D’Hooge. Die hebben hier zelf een toestel ontwikkeld en gebouwd dat tot 5.000 beelden per seconde kan maken. Sinds een drietal jaren zijn wij zover dat we hiermee mensen kunnen onderzoeken. We zijn nu aan het ontdekken wat wij met zulke hoge frame rates kunnen doen. We kijken bijvoorbeeld naar kleine vibraties die zich binnen de hartspier voortbewegen als de mitralisklep (klep tussen linkervoorkamer en -kamer, red.)sluit. Die vibraties verplaatsen zich van de basis naar de tip van het hart, en de snelheid waarmee dat gebeurt is een maat voor de stijfheid van de hartspier. Op die manier kunnen we door een gemakkelijk onderzoek door de huid eigenschappen van het hart beoordelen, die tot hier toe enkel invasief te meten waren – en zeker niet met echocardiografie. Vaak moeten we nu nog voor de beoordeling van de diastolische dysfunctie (wanneer het hart niet meer kan vullen zoals het hoort, red.) een vijftal verschillende metingen doen waarna we via complexe beslissingsbomen kunnen inschatten hoe de vork aan de steel zit. Nu hebben we één parameter waarmee we in de toekomst die diastolische dysfunctie misschien zouden kunnen meten. Heel spannend!

World Pharmacists Day

In het kader van World Pharmacists Day die plaats vindt op 25 september, hebben wij Professor Veerle Foulon geïnterviewd. Zij is gewoon hoogleraar aan de Faculteit Farmaceutische Wetenschappen van de KU Leuven. Haar onderzoek situeert zich in het gebied van farmaceutische en patiëntgerichte zorg, interdisciplinaire samenwerking en rationele farmacotherapie (https://pharm.kuleuven.be/faculteit/contact/00002377). Daarnaast is zij ook vice-decaan onderwijs. Dit jaar is het thema van World Pharmacists Day: “Pharmacy: Always trusted for your health” (https://www.fip.org/world-pharmacists-day).

Op 25 september is het World Pharmacists Day, wat betekent deze dag voor u? 

“Redelijk vaak valt die dag samen met de start van het academiejaar waarop we verwelkomingssessies voor (master)studenten inplannen. Tijdens die sessies proberen we iets te doen rond World Pharmacists Day, onder andere de aandacht van studenten vestigen op het bestaan van World Pharmacists Day en vertellen wat het thema van die dag is. Zo proberen we studenten extra te motiveren voor hun rol als apotheker. Dit jaar valt World Pharmacists Day op een zaterdag waardoor we die dag minder goed kunnen gebruiken. We kunnen er wel naar verwijzen want we starten natuurlijk vlak erna met het academiejaar. Ikzelf doe niet echt iets speciaal die dag, maar als ik een onderwijsactiviteit heb, wat meestal wel het geval is, probeer er dus altijd wel iets mee te doen.”

Het thema van dit jaar is vertrouwen in de apotheker als zorgverlener. Welke aspecten zijn volgens u het meest belangrijk voor het ontstaan van een goede vertrouwensrelatie apotheker-patiënt?

“Dat is een boeiende vraag. We hebben het hier vandaag reeds over gehad in het kader van onderzoeksprojecten. Als je deze vraag aan patiënten stelt, moeten zorgverleners grosso modo aan twee normen beantwoorden. Enerzijds moeten ze expert zijn en weten waarover ze praten, maar anderzijds  moeten ze ook een goede communicator zijn. Merk op dat een goede communicatie niet alleen zit in dingen kunnen uitleggen. Je moet ook goed kunnen luisteren, empathisch kunnen reageren en aangeven dat je mee bent met het verhaal van de patiënt. Als je beide normen kan combineren, denk ik dat je het vertrouwen van de patiënt kan winnen. Bij sommige apothekers vertrekt dat vertrouwen eerder vanuit hun professionele attitude, ook al zijn zij op dat moment misschien nog niet erg empathisch ingesteld. Bij anderen vertrekt dat vertrouwen eerder vanuit een luisterende, empathische houding die aangevuld wordt met de nodige professionaliteit. Elke norm apart lijkt me onvoldoende. Dat blijkt ook uit onderzoek bij patiënten. Daarnaast zijn er nog andere aspecten belangrijk zoals ethisch handelen en een professionele communicatie met andere zorgverleners. De patiënt moet namelijk volgend gevoel verkrijgen: ‘Ik heb iets toevertrouwd aan mijn apotheker. Deze zal daar verder professioneel mee omgaan en enkel als het nodig is, zal deze mij doorverwijzen. Daarnaast, zal mijn apotheker mij niet onnodig iets verkopen en zal hij nooit zonder mijn medeweten mijn huisarts contacteren om bijvoorbeeld te vertellen dat ik mijn medicatie niet stipt inneem. In zo’n situatie zou hij mij aanmoedigen om dat zelf ter sprake te brengen’.”

Denkt u dat die vertrouwensrelatie apotheker-patiënt specifiek, maar ook breder de gehele functie van de apotheker, een rol kan spelen in het verloop en de aanpak van de corona-pandemie? 

“Dit is een grote vraag. Ik zal deze proberen te beantwoorden op verschillende niveaus. Ten eerste op het niveau van de relatie apotheker-patiënt. Als de apotheker reeds een vertrouwensrelatie had met de patiënt, verwacht ik dat de patiënt de apotheker belt voor kleine dingen waarover hij onzeker is, gaande van: ‘ik heb symptomen, waar kan ik getest worden?’ tot vragen als: ‘mag ik op reis gaan?’ en ‘wat kan ik doen om mij te beschermen?’. Er werd namelijk opgemerkt dat als er een vertrouwensband aanwezig was, er laagdrempelig contact met de apotheker opgenomen werd omdat patiënten het gevoel hadden dat ze hun apotheker minder stoorden dan hun (huis)arts die waarschijnlijk overbevraagd was in tijden van de pandemie waardoor die beter niet gecontacteerd werd in verband met een kleine vraag. Dat laagdrempelig contact werd uitgesproken geobserveerd in de eerste fase van de lockdown. Op een wat grotere schaal, is gebleken dat apothekers effectief een betrouwbare partner zijn in de zorg. Apotheken zijn namelijk altijd open gebleven waardoor mensen steeds hun apotheker konden raadplegen om advies te krijgen. Daarnaast hebben apothekers getoond dat ze in staat zijn om andere, nieuwe taken op te nemen om zo een andere rol in het maatschappelijke verhaal te vervullen. Dat gaat dan over een rol in de schakelzorgcentra en de vaccinatiecentra waar apothekers onder andere ingeschakeld worden als vaccinator aangezien velen een opleiding gevolgd hebben om te kunnen vaccineren. Verder hebben ze een rol gespeeld in de vaccine hesitancy, de weerstand of aarzeling van patiënten om gevaccineerd te worden. Apothekers kregen een zicht op de vaccinatie-oproepingsbrieven die patiënten hebben gekregen waardoor ze hun patiënten konden motiveren. Doordat apothekers dit konden doen zonder extra middelen, behalve de centra dan, zijn we een stap vooruit gegaan met het apothekersberoep. Vanuit bijvoorbeeld de zorgraden is er nu een extra appreciatie voor de rol van de apotheker.  De apotheker wordt ten volle gezien als een partner die inzetbaar is, terwijl die vroeger meer gezien werd als de apotheker in de straat en minder als een zorgverlener.” 

U heeft een vooraanstaande onderzoekscarrière. Hoe en wanneer is die fascinatie voor onderzoek ontstaan? 

Mijn ouders waren allebei apotheker van beroep, waardoor ik opgegroeid ben in een apotheek. Mijn grootmoeder was ook apotheker, maar zij heeft dat beroep nooit echt uitgeoefend. Net zoals ik die toen ik opgroeide altijd zei ik dat ik het beroep van apotheker niet wou uitvoeren. Ik heb lang getwijfeld over wat ik wou studeren aangezien ik heel snel in iets geïnteresseerd ben. Daardoor waren er heel veel richtingen die mij aanspraken: geneeskunde, psychologie, bio-ingenieur en alles daartussen. Toen ik nadacht over mijn studiekeuze was het duidelijk dat ik iets wetenschappelijks wou doen. Ik was daarnaast heel erg geboeid door ontwikkelingssamenwerking, maar ik zag mij niet werken bij bijvoorbeeld Artsen Zonder Grenzen in een conflictgebied aangezien ik graag iets wou doen dat duurzamer is dan noodhulp. Ik zag mij bij gevolg eerder aan gezondheidseducatie doen. Dat was toen een verre droom. Uiteindelijk besliste ik dan toch om farmaceutische wetenschappen te studeren aangezien ik daarin mijn geheel van interesses ongeveer terugvond. Mijn studies verliepen goed en ik vond die wetenschap heel boeiend. Op een bepaald moment had ik het gevoel dat ik nog beter wou begrijpen hoe ziektes ontstaan en dat ik wou zoeken naar nieuwe mogelijkheden. Dat was mijn drijfveer voor het aanvatten van een doctoraat in fundamenteel onderzoek naar erfelijk metabole aandoeningen. We hebben toen een nieuw enzyme gevonden dat een rol speelt in de alpha oxidatie van 3-methyl vertakte vetzuren. Deficiënties in die pathway leiden tot metabole aandoeningen die bij kinderen en volwassen kunnen voorkomen. Dat werk was super boeiend maar ik miste wat drive en patiënten- of studentencontact. Ik kon mijn ziel minder kwijt in enkel labowerk. In die periode zat ik in de onderwijsraad als vertegenwoordiger. Op een bepaald moment kwam er een positie vrij binnen de Faculteit Farmaceutische Wetenschappen om de opleiding te herdenken. Aangezien ik vanuit mijn postdoc niet echt een mogelijkheid zag naar patiënten- of studentencontact, ben ik overgeschakeld naar die onderwijsfunctie. Ik ben toen stafmedewerker onderwijs geweest. Ik was niet voorbereid op die functie aangezien mijn expertise in het fundamenteel onderzoek lag. Daardoor kende ik toen weinig over de methodologieën die ik nu gebruik. Men heeft mij echter het vertrouwen gegeven om mijn kennis uit te bouwen. Ik heb in die periode zelf mijn weg moeten zoeken wat niet altijd makkelijk was, maar ik voel dat hier echt mijn ziel ligt aangezien ik die fundamentele wetenschap kan combineren met wat ik wou doen rond gezondheidseducatie waar ook een psychologisch aspect bij komt kijken. De verschillende dingen waartussen ik vroeger niet kon kiezen zitten hier nu samen. Ik vind mijn huidige functie intensiever dan mijn labo-onderzoek, natuurlijk ook omdat ik nu in een andere rol zit. Ik moet voortdurend creatief nadenken, ik moet mensen meekrijgen en motiveren om mee in het onderzoek te stappen. Ik heb wel het gevoel dat ik iets doe wat verandering brengt, wat dingen in beweging zet. Ik hoop dat alleszins en dat vind ik juist heel motiverend. Het studentenluik vind ik heel tof.  Natuurlijk zou ik zelf ook graag werken in een apotheek maar door wat ik nu doe, heb ik het gevoel dat ik een grotere impact heb in het geheel.” 

Wat vindt u de belangrijkste ontwikkeling die heeft plaatsgevonden binnen uw onderzoeksgebied sinds u werkzaam bent als onderzoeker aan onze faculteit? 

“Wat me getroffen heeft, zeker in de beginfase van mijn onderzoek, was dat het voor mensen complex kan zijn om met medicatie om te gaan. Het is namelijk niet evident dat mensen de medicatie innemen zoals bedoeld. Ik moet eerlijk zeggen dat ik mij daar op geen enkel moment van bewust geworden ben gedurende al die tijd dat ik in een apotheek opgegroeid ben. Mijn ouders hadden een verschillend profiel als apotheker. Mijn papa was meer wetenschappelijk exact ingesteld, terwijl mijn mama meer de communicatieve apotheker was. Ik heb echter nooit signalen gekregen dat sommige patiënten hun medicatie helemaal niet goed innamen. Ik denk dat we als apothekers daar ergens een blinde vlek hadden en toen eerder als volgt dachten: ‘Wij zijn de  expert omtrent geneesmiddelen, we leveren ze af en geven de info die je nodig hebt.’ We polsten natuurlijk wel eens hoe het met een persoon ging, maar de blinde vlek op het vlak van inzicht in de complexiteit van het omgaan met geneesmiddelen was volgens mij heel lang aanwezig. Nu krijgen we door ons onderzoek  zicht op de diversiteit in de samenleving en op het feit dat het innemen van geneesmiddelen geen evidentie is. Bovendien is er een groot probleem met health literacy. Daarvoor hadden we die aspecten allemaal wel fragmentair aangevoeld, maar er was weinig kader rond. Nu zijn die problemen explicieter en zetten we er veel meer op in. Ik vind het echt een evolutie in die zin dat de apotheker nu meer de rol opneemt van zorgverlener, ook al heeft die dat in mijn beleving altijd al gedaan. De apotheker heeft een grote kennis van zaken op therapeutisch vlak, kan over de therapeutische opties praten, alsook over de alternatieven. Daarin kan hij zijn rol als zorgverlener betrekken in samenwerking met andere actoren. Dit is een beweging die tevens ook in ons onderwijs vervat zit.”

Welke belangrijke ontwikkelingen houdt u voor mogelijk op korte en lange termijn binnen uw onderzoeksgebied?

“Ik denk en hoop dat de expertise rond geneesmiddelen zoals die nu zit bij de apotheker in de eerste lijn, breder inzetbaar wordt dan enkel in de context van een apotheek. Ik denk dat we bijvoorbeeld nood hebben aan farmaceutische expertise in een woonzorgcentrum en dat we bij gevolg een apotheker moeten hebben die outreached naar die centra, daar aanwezig is zoals een coördinerend arts en mee het medicatiebeleid bepaalt en mee afstemmingen maakt. Ik verwacht dus dat de rol van de apotheker zich wat zal differentiëren. De apotheek als plaats zal natuurlijk steeds belangrijk blijven, maar de farmaceutische expertise zal ook op andere plaatsen zijn weg vinden. Zo zou het ook kunnen dat een apotheker op termijn toegevoegd wordt aan een wijkgezondheidscentrum voor een aantal dagen of uren per week waarin die voluit kan gaan voor zijn rol als expert. Zo zou die rol niet meer altijd gekoppeld zijn aan het afleveren van geneesmiddelen. Dat is nu ook niet zo, maar de locatie is wel zo.” 

Wat u net zei, bevordert dan ook de interdisciplinaire samenwerking als ik u goed begrijp. 

“Ja, ik denk dat wel en ik hoop dat dat inderdaad nog meer mogelijk wordt. Natuurlijk kan dat ook vanuit de apotheek, dat is zeker geen uitsluitingscriterium. Ik wil ook absoluut niet verkondingen dat apothekers enkel aan logistiek doen in de apotheek en dat het interessante werk zich op een andere plaats situeert. Het is echter wel zo dat we farmaceutische zorg kunnen brengen naar de plaatsen waar die ook nodig is. Vorig jaar hebben we daarmee geëxperimenteerd in schakelzorgcentra die de overheid had opgericht voor COVID-patiënten. Dat is toen heel goed gelopen. De apothekers die daar een taak hebben opgenomen, hebben heel veel appreciatie gekregen van de artsen omwille van verschillende taken waaronder het ophelderen van het medicatieschema van patiënten. Apothekers hadden zo een soort brugfunctie. Verder zijn er bijvoorbeeld ook de klinische apothekers in de ziekenhuizen. Men voelde op de afdelingen de meerwaarde die een klinisch apotheker bracht. Een apotheker heeft namelijk de nodige kennis en competenties op het vlak van medicatie om zulke taken kwaliteitsvol aan te pakken.” 

Denkt u dan ook dat klinische farmacie nog verder gaat toenemen in de ziekenhuizen? Ik hoorde dat klinische farmacie op dit moment frequenter voorkomt in Nederland, klopt dat? 

“Ja, in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk is het frequenter. Dat hangt samen met de middelen en de mogelijkheden die de overheid creëert. Als we echter echt voluit zouden willen gaan en overal klinische apothekers zouden willen hebben, zouden we apothekers te kort hebben op dit moment. Er zijn ook al apothekers tekort in de eerste lijn wat maakt dat we heel hard zouden moeten inzetten op het opvullen van die tekorten. Echter, tegelijkertijd moeten we doordenken waar de meerwaarde van de apotheker echt zit en waar die minder aantoonbaar is of waar de rol van de apotheker overgenomen wordt door andere actoren. Je ziet dat dat in ziekenhuizen soms gebeurt. In het UZ Leuven bijvoorbeeld, heeft men enkele systemen ingevoerd die knelpunten tussen bepaalde geneesmiddelen aangeven waardoor de apotheker niet door elk voorschrift moet gaan. Dit toont aan dat je slimme systemen kan bedenken zodat de brains overgehouden worden voor die dingen die echt door mensen moeten gebeuren. Het is namelijk een utopie om te denken dat we overal en op elk moment iemand zullen hebben. Dat zien we ook in de hele evolutie van de gezondheidszorg. Er zijn allerlei interessante denkoefeningen aan de gang rond de gezondheidszorgberoepen in de toekomst en hoe we misschien nog meer die opleidingen moeten bundelen zodat er een gemeenschappelijke kern is van waaruit elke zorgverlener zich specialiseert. Zo weet ineens iedereen wat doelgericht en patiëntgericht handelen is. Die dingen zijn namelijk hetzelfde, ongeacht of je ze nu leert als (tand)arts, als apotheker of als kinesitherapeut. Iedereen zou dan meer denken en praten in hetzelfde kader, ieder vanuit zijn eigen discipline. Nu doen we dat vooral nog los van elkaar.” 

Onderzoek naar HIV: nog een weg te gaan

Het oorspronkelijke Rega Instituut werd opgericht door wijlen Prof. Dr. Pieter de Somer in 1954. Hoewel het gebouw er nog steeds staat, in de Minderbroedersstraat 10, is er intussen het nieuwe Rega Instituut op de campus Gasthuisberg. Hier bevinden zich verschillende afdelingen van immunologie, bacteriologie, virologie, epidemiologie en medicinale chemie. Naar aanleiding van Wereld-AIDS-dag op 1 december bezoeken we dit Rega instituut en spreken we met Prof. Dr. Dominique Schols over de opkomst, onderzoek en zijn visie op HIV.
1/12/2020 door Robbe De Groote en Fopke Marain

Hoe bent u terechtgekomen in het HIV- onderzoek?

Toen ik in 1985 afstudeerde, had ik de mogelijkheid om eerst een jaar onderzoek te doen in het domein van de immunologie. Rond die tijd vond het eerste historisch wapenfeit plaats van HIV: de overdracht en ontdekking van een nieuw en dodelijke virus in de mens. Prof. Dr. Erik De Clercq was toen de eerste professor aan de KU Leuven die onderzoek startte naar HIV, in samenwerking met Janssen Pharmaceutica. Samen met Dr. Rudi Pauwels en enkele medewerkers startte het onderzoek in de kelder van het Sint-Raphaël ziekenhuis. Toen we eraan begonnen moest alles nog aangekocht worden: een LAF-kast, een centrifuge, een broedstoof… We zijn toen echt van nul gestart. Reeds 2 jaar later kwamen we met een zeer mooi antiviraal middel op de proppen, de klinische ontwikkeling hiervan liep echter vast. Het was een zeer krachtig antivirale molecule, ontwikkelt in een ongelooflijk korte tijd met heel beperkte middelen en mensen (lacht)

“Toen we eraan begonnen moest alles nog aangekocht worden: een LAF-kast, een centrifuge… We zijn toen echt van nul gestart.”

Zijn er gelijkenissen tussen de huidige corona-epidemie en de HIV- epidemie destijds? 

In die periode waren heel wat firma’s geïnteresseerd in anti-HIV-therapie. Als we dat vergelijken naar de situatie vandaag met COVID-19, dan is er een fundamenteel verschil: bij een HIV-infectie was je toen (in de jaren 80-90) zeker ten dode opgeschreven. Er was dus echt nood aan een adequate antivirale therapie. Het was op dat moment een totaal nieuw onderzoeksdomein, een nieuw virus dat zijn weg via primaten naar de mens gevonden had. Opnieuw wat vergelijkbaar met de COVID-19 situatie nu. Een groot verschil echter is de virale transmissie. HIV is eigenlijk een relatief moeilijk overdraagbaar virus, enkel via seksueel contact, prikaccidenten met besmette naalden, sero-positieve moeder op kind of bloedtransfusies van besmette personen. Dit coronavirus verspreidt zich daarentegen zeer gemakkelijk via speekseldruppels.

Welke veranderingen heeft u vanop de eerste rij, als onderzoeker, meegemaakt?

Over het verloop van de jaren zijn er heel wat mooie antivirale geneesmiddelen op de markt gekomen. Accenten zijn veranderd, maar tot op de dag van vandaag doen we nog steeds HIV-onderzoek.
Het onderzoek komt van ver. We vertrokken in 1985 met een infectie waarmee je ten dode opgeschreven was. We evolueerden naar de late jaren ‘90, waar betrouwbare antivirale therapieën ontwikkeld werden. Met één antivirale pil slagen we er nu in de virale lading en replicatie te minimaliseren tot zelfs een niet-detecteerbaar niveau in het bloed. 

Je gaat dus van een dodelijke naar een chronische ziekte?

Fantastisch inderdaad! (lacht). Dat is echt een enorme verwezenlijking!

Bestaat dan volgens u een mogelijkheid tot een curatieve behandeling?

Het probleem blijft: eens besmet, altijd besmet. Er zijn nog steeds wereldwijd ongeveer 40 miljoen mensen geïnfecteerd met het virus en die zullen altijd geïnfecteerd blijven. Dat is het dramatische, we zullen er waarschijnlijk nooit meer van af geraken. Tenzij…

Tenzij?

Tenzij er een vaccin ontwikkeld wordt. Met de huidige technologie lijkt mij dat onmogelijk. Ik zie dan ook in de komende jaren geen werkzaam vaccin op de markt komen, al hoop ik er wel op. HIV heeft namelijk nog steeds desastreuze gevolgen, voornamelijk in Afrika waar hele generaties al het slachtoffer werden. Men heeft daar nu ook wel betere antivirale therapie, maar vaak niet voldoende.  Belangrijk is vooral in te zetten op de preventie van nieuwe besmettingen bij jonge mensen.
Ook in België is HIV niet verdwenen. Verleden jaar overleden een 70-tal mensen aan HIV. Een relatief beperkt, maar vooral jammerlijk verlies. Gemiddeld worden een 1000-tal personen per jaar in België geïnfecteerd met HIV en die zijn op hun beurt dus ook een bron van nieuwe infecties. Vandaar dat fundamenteel onderzoek nog steeds essentieel is en dat betere preventie- en behandelingsmethoden onderzocht moeten worden. Eradicatie van dit virus zal echt niet simpel zijn.

Is een dag zoals “World AIDS Day” nog steeds nodig om mensen op het bestaan van HIV te wijzen?

“We moeten geen reclame maken voor HIV en onderzoek, maar jammer dat er vaak maar 1 virus belangrijk is.”

Absoluut! HIV is en blijft een probleem in onze samenleving. Je krijgt het niet zomaar weg. Het kwam plots bij de mens terecht, maar zal niet even snel uit de mensheid verdwijnen. Nog steeds sterven jaarlijks 600 000 tot 800 000 mensen aan HIV. Dit aantal is weliswaar sterk gezakt ten opzichte van de 2 miljoen mensen per jaar in de jaren ‘90, maar blijft immens hoog. Men staat daar niet bij stil, omdat dat vooral in Afrika is, maar virale infecties hebben nog steeds een hoog dodental bij heel wat populaties.

De gemiddelde levensverwachting in Midden- en Zuid-Afrika zakte van 60 jaar in de jaren ‘70 naar 45 jaar in de jaren ‘90 door de komst van dit virus. Nu is er anti-retrovirale therapie, maar deze kon de levensverwachting slechts optrekken tot 50 jaar. Slechts één ander virus slaagde erin om ook een enorme dip te slaan in de levensverwachting, namelijk het Spaanse Griepvirus in 1918. Maar deze verdween snel terug en vanzelf. Vandaar dat het zo belangrijk blijft HIV te “herdenken” en aan te tonen hoe dodelijk het virus nog steeds is. Men moet attent blijven voor de seksuele transmissie in de Westerse Wereld, waar de andere transmissiefactoren heel zeldzaam zijn. We moeten geen reclame maken voor HIV en onderzoek, maar jammer dat er vaak maar 1 virus belangrijk is. En ook als het coronavirus nu onder controle is, is alles terug rozengeur en maneschijn, maar dit zal ook niet het geval zijn.

Organiseert u met het labo activiteiten om “World AIDS day” in de kijker te zetten?

Goede vraag! Vroeger deden we dat. We hadden dan events in het Rega Instituut: van liefdadigheidsacties en een fuif, tot een leuk concert. Maar de laatste jaren doen we zelf niets bijzonders om dit in de kijker te zetten. Zeker een goede suggestie. (lacht) Al zal dat nu moeilijk gaan, het is dan ook een heel speciaal “corona” virus jaar.

Welke projecten lopen er momenteel bij u om nieuwe antivirale therapieën te maken?

We zijn nog steeds volop bezig met nieuwe klassen van moleculen te ontwikkelen. Ik kreeg zojuist de data van een interessant anti-HIV experiment. De antivirale therapie is vaak een combinatietherapie maar waar nog steeds verbetering mogelijk is. We stapten over van het dogma waarin de therapie gericht is tegen het virus, naar een therapie gericht tegen de gastheer cel. Elk virus heeft een receptor nodig, zie het als een soort deur, om de cel binnen te dringen. Als we de deur sluiten, kan het virus de cel niet binnen, kan het niet vermenigvuldigen en word je dus ook niet ziek. De HIV-receptoren in dit geval zijn de CD4 receptor en 2 chemokinereceptoren: CCR5 en CXCR4. Ons onderzoek probeert nu nog steeds moleculen te ontwikkelen die de receptoren kunnen blokkeren en zo dus de infectie van de cel inhiberen.
Dat hebben wij dan ook een tijd geleden ontwikkeld. We vonden een therapie die erin slaagde om de CXCR4-receptor te blokkeren om zo het binnendringen van het virus te inhiberen. Heel speciaal echter was de bijwerking van dit molecule: het stimuleert stamcellen om uit het beenmerg in het bloed te komen. Dit bijkomend effect gaf een prachtige toekomst aan een nieuwe  therapie: het wordt nu wereldwijd gebruikt voor stamcelisolaties uit het bloed.
Deze therapie werkt niet op de andere receptor: CCR5. Virussen kunnen nog steeds langs deze manier de cel binnenkomen. Nu proberen we nog steeds om moleculen te ontwikkelen die CD4 en CCR5 blokkeren om virus binnenkomst te inhiberen.

Verwacht u dan binnenkort een nieuwe therapie op de markt?

Er zijn op dit moment geen grote nieuwe ontwikkelingen eerder door het gebrek aan interesse vanuit de farma-industrie. Er zijn al talrijke middelen die zeer krachtig en efficiënt zijn in het onderdrukken van het virus. Of het ooit zal lukken om de binnendringen van het virus totaal te inhiberen, weet ik niet. Dat is wetenschappelijk onderzoek. Zo is ook de Afdeling van Prof. Erik De Clercq groot geworden: door vaak anders te denken dan anderen. Ik kan u hier nog zo veel meer over vertellen (lacht).

Is er ooit iemand genezen van een HIV-infectie?

Eén persoon is ooit genezen verklaard van HIV, namelijk Timothy Brown. Hij was geïnfecteerd met HIV, dat de CCR5 receptor gebruikte. De man kreeg kanker en werd daarvoor behandeld in Berlijn om al zijn cellen, dus ook de geïnfecteerde cellen, te vernietigen. Daarna volgde een succesvolle beenmerg transplantatie van een Delta32-CCR5-persoon.

Wat houdt dit in?

Die persoon heeft geen of een abnormale vorm van CCR5-receptoren op de membraan van witte bloedcellen. Die transplantatie is gelukt en men stelde vast dat dan bij die persoon het virus volledig weg was! Dat is dus de enige persoon die tot nu toe duidelijk gedocumenteerd is, genezen te zijn van HIV. Helaas is “the Berlin patient” in september 2020 overleden, niet aan HIV – dat heeft men nooit meer gedetecteerd in zijn bloed – maar aan een nieuwe vorm van leukemie.

Is student-onderzoek mogelijk op uw dienst en is dit niet gevaarlijk?

Dat is een goede vraag! In het verleden zijn er een aantal student-onderzoekers geweest, maar dat is alweer een tijdje geleden. We leggen natuurlijk een sterke nadruk op (bio)-veiligheid, alles wat we hier doen gebeurt in 100% veilige omstandigheden. Student-onderzoekers kunnen vooral werken op cellulair niveau, namelijk onderzoek doen naar de cellen, receptoren en hun expressie, maar niet zelf werken met het virus. 

Op het einde van het student-onderzoek kan de student, met een technisch personeelslid of doctoraatsstudent, het effect van het virus op een receptor meevolgen. Op die manier is de “picture” voor de student compleet. Er zijn heel wat vervang technieken en -systemen waarbij het virus niet actief betrokken is. Er kan dus virusvrij heel mooi “receptorwerk” gedaan worden en als daar een student-onderzoeker in geïnteresseerd is, is dat zeker de moeite!

Heeft u nog een boodschap voor de studenten?

“Dat is ook gewoon onderzoek, daar horen teleurstellingen bij. Maar dat wil niet zeggen dat je het niet moet doen.”

Toen we het labo opstartten, hebben we een jaar gewerkt om een cellijn te infecteren met HIV. Er zijn zo veel variaties waar je aan moet denken. De cellijn, de groeimedia, de juiste infectiecondities, het virus, de opkweek en stockering hiervan,… Je moet elke stap bekijken en je maakt steeds wel wat fouten. En dat is een leerproces. Je moet alles eerst op punt stellen. Dat is hard werk. Zelfs een receptor calcium signaal meting goed uitvoeren kan een half jaar duren. Dat is de kracht om het zelf te doen en te begrijpen. Dat is ook onderzoek en daar horen teleurstellingen bij. Maar dat wil niet zeggen dat je het niet moet doen. Je moet je niet laten ontmoedigen als er niets uitkomt. Je hebt het in elk geval geprobeerd. Af en toe iets anders doen, zelfs al is er een kans dat er niets uitkomt, is de moeite waard!

Rector Pieter De Somer zei in zijn afscheidsspeech in 1985 “studenten en onderzoekers moeten de vrijheid krijgen om te kunnen dwalen dat is een essentiële voorwaarde opdat zij als onderzoekers hun opdracht zouden kunnen vervullen”. Dit vind ik een fantastisch citaat. Je moet de kans krijgen om iets anders te doen dan wat anderen doen. En doe dat! Als het mislukt: geen probleem. Maar als het lukt, dan is het “wauw”. 

Prof. D. Schols (rechts) met slechts enkele van zijn fijne medewerkers, van links naar rechts Steven Carmans, Eric Fonteyn, Tom Van Loy, Sandra Claes (coronamaatregelingen, Rega Instituut, November 27, 2020)